Methodologie

1 Energierevolutie in België en Europa

Eind 2016 publiceerden Greenpeace, WWF en Bond Beter Leefmilieu Our Energy Future, een becijferd scenario voor de Belgische energierevolutie, ingebed in een Europese netwerkstudie. In 2020 ging het Climate Action Network een stap verder en werkte een volledig Europees scenario uit in lijn met het klimaatakkoord van Parijs. In 2024 werd dit nog aangescherpt tot het ‘Paris Agreement Compatible (PAC) scenario 2.0’. De hoofdlijnen van Our Energy Future en het PAC scenario zijn overduidelijk: fossiel en nucleair moeten plaatsmaken voor hernieuwbare energie.

Deze studies vormen de basis voor het Greenpeace klassement van stroomleveranciers.

2 Gebruikte cijfers

Greenpeace vraagt aan alle leveranciers gegevens over hun garanties van oorsprong, productie, aankopen en investeringen. Ook de stappen ondernomen voor het uitfaseren van gas voor verwarming worden bevraagd. Deze gegevens vormen de basis van het klassement en worden gecontroleerd en aangevuld met informatie uit onder meer het Brandstofmixrapport van de Vlaamse Nutsregulator  en de jaarrapporten van leveranciers. Indien leveranciers geen gegevens doorgeven of de vragen niet beantwoorden, wordt de score volledig gebaseerd op publiek beschikbare informatie.

Voor de berekeningen van het klassement van 2025 baseren we ons op de productie en geleverde stroom in 2024. Om over voldoende betrouwbare gegevens te beschikken moeten energieleveranciers minstens sinds 1 januari 2024 actief zijn op de Belgische energiemarkt. Voor bedrijfsgroepen met één of meerdere Belgische (of in België actieve) dochters, worden zowel de cijfers voor de volledige Europese bedrijfsgroep bekeken als de cijfers van enkel de Belgische activiteiten.

3 Scoring van de energiebronnen

Energiebronnen worden ingedeeld in vier categorieën op basis van hun impact op klimaat en milieu, rekening houdend met onder meer CO2-uitstoot en afval. Elke energiebron krijgt zo een score op 5. Een gedetailleerde beoordeling van elke energiebron wordt gegeven in de appendix onderaan deze pagina

 

Scoring
Fotovoltaïsche cellen
5
Geconcentreerde zonne-energie
5
Wind (onshore / offshore)
5
Waterkracht op rivier
5
Biogas uit rioolslib of equivalent
5
Kleinschalige waterkracht ≤10 MW
5
Grootschalige waterkracht >10 MW
2.5
Biomassa ≤20 MW
2.5
Afvalverbranding
1.5
Biomassa >20 MW (WKK)
1.5
Fossiel gas (met en zonder WKK)
1
Kernenergie
0
Biomassa >20 MW (bijstook)
0
Stookolie
0
Steenkool/Bruinkool
0

4 Berekening score energieleverancier

Iedere leverancier in dit klassement krijgt een score op 20, op basis van de subscores voor de investeringen (45%), geleverde stroom (35%) en de omschakeling naar groene warmte (20%).

Investeringen (45%)

Iets minder dan de helft van de punten (45%) valt te verdienen op de investeringen in bijkomende capaciteit. Dit is voor Greenpeace het belangrijkste luik, omdat we geloven dat alle leveranciers in verhouding tot hun marktaandeel moeten bijdragen aan de energietransitie. Klanten hebben bovendien het recht te weten welke keuzes hun leverancier maakt voor de toekomst.

Voor investeringen wordt telkens gekeken naar de grid connection, of het moment waarop de capaciteit stroom begint te leveren aan het net. Hierbij onderscheiden we nieuwe (grid connection tot 31 december 2024) en geplande (grid connection vanaf 1 januari 2025) investeringen. Afhankelijk van de energiebron beschouwen we een andere tijdsperiode omdat ook de investeringscyclus hiervoor verschilt: voor kerncentrales kijken we tien jaar voor- en achteruit, voor steenkool-, bruinkool- en oliecentrales vijf jaar, en voor alle andere energiebronnen twee jaar. Bovendien brengen we ook de desinvestering (d.w.z. vervroegde definitieve sluiting) van steenkool-, bruinkool- en kerncentrales in rekening die in 2023-24 uit bedrijf zijn genomen.

Er worden twee balkjes getoond op de website: de eerste balk toont in welke energiebronnen er geïnvesteerd wordt, de tweede balk toont of een leverancier voldoende investeert om tegen 2035 aan alle klanten echt groene stroom te leveren.

Als een leverancier niet investeert telt de score van de geleverde stroom mee voor de investeringsscore. Via zijn aankopen oefent een leverancier namelijk invloed uit op de investeringsbeslissingen van een stroomproducent. Een leverancier die helemaal niet investeert, bijvoorbeeld een pure trader, kan zo maximaal 14 op 20 behalen, en dit enkel wanneer de andere onderdelen perfect scoren.

Geleverde stroom (35%)

De geleverde stroom omvat de eigen productiecapaciteit en de stroomaankopen van een leverancier en is goed voor 35% van de punten. De productiecapaciteit is de som van het vermogen van alle elektriciteitsinstallaties die de leverancier, in Europa (groepsscore) of in België, bezit. Een leverancier kan ook stroom aankopen bij een producent of op de elektriciteitsmarkt. Voor rechtstreekse aankopen wordt de score van de betreffende energiebron gebruikt. Aankopen op de Europese elektriciteitsmarkt (of waarvoor de bron niet bekend is), worden gescoord op basis van de mix op die markt voor 2024, zoals meegedeeld door ENTSO-E. De score hiervan bedraagt 2,20 op 5.

De garanties van oorsprong (voorheen mix op de factuur) worden ook in dit onderdeel getoond, maar leveren geen punten meer op. Jaren na het invoeren van het systeem is duidelijk dat garanties van oorsprong weinig bijdragen aan een transparante energiemarkt en geen katalysator zijn voor investeringen in hernieuwbare energie. Greenpeace blijft de garanties van oorsprong tonen zodat het gemakkelijk te vergelijken is welke stroom een leverancier daadwerkelijk produceert en aankoopt, en met welke garanties van oorsprong dit wordt afgedekt.

Omschakeling naar groene warmte (20%)

In deze categorie worden de concrete stappen van de energieleveranciers voor het uitfaseren van fossiel gas voor verwarming beoordeeld. Greenpeace wil hiermee het duidelijke signaal geven dat ook energieleveranciers de verantwoordelijkheid hebben om fossiel gas voor verwarming te helpen afbouwen. Winst blijven maken met het verkopen van fossiele brandstoffen zonder stappen te nemen naar groene warmte kan niet meer.  Voor het opmaken van de score kijken we naar tien verschillende parameters, waarvan de eerste zeven punten opleveren en de laatste drie bestraffend zijn. In de appendix geven we een beoordeling van de verschillende energievormen en technieken die aan de basis liggen voor deze criteria.

1. Gebruik van de term ‘fossiel gas’

2. Doelstelling om gas uit te faseren tegen 2035 openbaar gecommuniceerd

3. Communiceren over de CO₂ uitstoot van het gasverbruik door de consument

4. Aanbieden van besparingsmaatregelen zoals isolatie

5. Aanbieden van warmtepompen

6. Betrokkenheid bij warmtenetten op hernieuwbare energie of restwarmte

7. Actief lobbyen voor elektrificatie via memoranda, …

8. Promoten van misleidende technologieën zoals ketels op waterstof, hybride warmtepompen,…

9. Installeren van gasketels

10. Aanbieden van CO₂ compensatie

5 Appendix : toelichting score per energiebron voor elektriciteit

Kernenergie

Kernenergie krijgt de laagste score door de zeer zware impact op het milieu. Er is niet alleen het ‘geplande’ kernafval dat honderdduizenden jaren enorm giftig blijft en waarvoor nog steeds geen oplossing bestaat, maar zware kernongevallen als Tsjernobyl en Fukushima tonen dat deze technologie grote gebieden voor lange tijd onbewoonbaar kan maken. Het reële risico op een ongeval is bovendien veel groter dan geschat in de theoretische modellen die de nucleaire sector hanteert (één keer per decennium vs. eens om de 250 jaar). Dit risico stijgt ook naarmate de bestaande reactoren verouderen en ze hun geplande levensduur overschrijden.

De CO₂-uitstoot voor kernenergie beoordelen we neutraal. Kernenergie stoot geen broeikasgassen uit tijdens de productie van elektriciteit en daarom wordt soms beweerd dat kernenergie een volledig uitstootvrije energiebron is. Wanneer echter alle stappen van de nucleaire keten – van de ontginning en verrijking van uranium tot de opslag van kernafval en ontmanteling van de centrales – worden meegerekend, is de uitstoot van kernenergie niet te verwaarlozen, al blijft deze wel ruim onder die van fossiele energiebronnen.

Kernenergie vertraagt bovendien de energietransitie. Elke euro die gaat naar de zeer grote investeringen die nodig zijn om de levensduur van bestaande kerncentrales te verlengen of nieuwe centrales te ontwikkelen, kan immers niet worden geïnvesteerd in bijkomende hernieuwbare energie die onze uitstoot sneller en duurzamer doet dalen. Zo blijven we langer afhankelijk van fossiele centrales om de overige elektriciteit op te wekken. Nieuwe kerncentrales bouwen duurt makkelijk meer dan tien jaar, zoals de bouwwerven in Flamanville (Frankrijk) en Hinkley Point (UK) hebben aangetoond. Dat is tijd die we niet meer hebben en waarin oude, onzekere en vervuilende (fossiele) centrales zouden moeten blijven draaien. In tegenstelling tot hernieuwbare energie, die zeer snel uit te rollen is en onmiddellijk emissies vermijdt, heeft kernenergie dus geen enkele rol te spelen in de strijd tegen de klimaatopwarming.

Tot slot blokkeert kernenergie, door zijn beperkte flexibiliteit, de ontwikkeling van flexibele, hernieuwbare energiebronnen. Leveranciers die nog langer investeren in de bouw van nieuwe reactoren, of de levensduurverlenging van bestaande, krijgen dan ook een negatieve badge.

Stookolie

De verbranding van olie voor elektriciteit en transport zorgt voor een groot deel van de CO₂-uitstoot. De vele olielekken die lokale en regionale ecosystemen zwaar beschadigen (Siberië, Nigeria, Golf van Mexico) en het verhoogde risico op vervuiling van mariene ecosystemen door olietransport (bv. Exxon Valdez en Erika) wegen extra op het milieu. Olie is geen energiebron voor de toekomst en krijgt daarom de laagste score.

Steenkool

Steenkoolcentrales stoten naast enorme hoeveelheden CO₂ ook andere dodelijke gassen en gifstoffen uit (onder meer cadmium, lood, NOx, SO2, O3,…). Deze stoffen zijn verantwoordelijk voor premature sterfte en verschillende kankers. Steenkool krijgt dan ook terecht de laagste score.

Fossiel gas

Tegen 2035 moet het gebruik van fossiel gas in de elektriciteitssector zo goed als volledig uitgefaseerd zijn. Mogelijk is er een beperkte rol weggelegd voor flexibele elektriciteitsproductie met duurzaam geproduceerd biogas of hernieuwbare waterstof, maar het zekerste energiesysteem verkrijgen we door massaal te investeren in zon, wind, flexibiliteit en opslag zodat gascentrales zo weinig mogelijk gebruikt moeten worden. Het afvangen en gebruiken (CCU) of opslaan (CCS) van CO₂ is duur, onzeker en inefficiënt, en speelt dus geen rol in onze energiescenario’s om de uitstoot van gascentrales te verminderen.

De finale score die een leverancier krijgt voor de opgewekte elektriciteit uit gas bedraagt momenteel 1/5 en zal tegen 2035 gradueel afbouwen naar nul. Leveranciers mogen doorgeven hoeveel elektriciteit ze geproduceerd hebben met hun gascentrales. Leveranciers die gascentrales enkel inzetten als back-up krijgen dus een betere score.

Biomassa

Biomassa beoordelen is moeilijk want het is een heel diverse energiebron, gaande van rioolslib over landbouwafval en voedselresten tot volledige boomstammen verwerkt in pellets. De mogelijke impact op milieu en klimaat zijn sterk afhankelijk van de gebruikte grondstof en ook de oorsprong van de biomassa in een centrale is niet altijd duidelijk.

Daarom is de beoordeling een vereenvoudiging van de werkelijkheid, maar aan de basis ervan liggen volgende principes:

  • Cascade – Biomassa dient, waar mogelijk, in de eerste plaats gebruikt te worden om de vruchtbaarheid van de bodem te bevorderen. Vervolgens komen gebruik als voedsel, diervoeder en CO₂-opslag. De opwekking van energie uit biomassa komt pas op de laatste plaats. Opnieuw is dit sterk afhankelijk van de grondstof die gebruikt wordt.
  • Kleinschalig – Bij voorkeur wordt biomassa verwerkt dicht bij de plaats van productie en op kleine schaal. We hanteren hierbij 20 MW als grens tussen kleinschalige en grootschalige projecten. Dit niveau is indicatief en kan in overleg met de leverancier aangepast worden.
  • Bijkomend – Het gebruik van biomassa voor energie is betwistbaar en moet beperkt worden tot tweede- en derdegeneratie-biomassa met een verwaarloosbare impact op het ecosysteem. Het vormt niet de basis van onze energievoorziening, maar kan nuttig zijn als aanvulling op de flexibele productie uit zon en wind.

De verbranding van biomassa is doorgaans niet efficiënt, waardoor een grote oppervlakte land nodig is om te voldoen aan de energievraag. Dit zet andere gewassen en/of bossen onder druk, met nefaste gevolgen voor plaatselijke ecosystemen en voedselvoorziening. De enorme volumes die gebruikt worden in grote biomassacentrales, en zeker de bijstook van biomassa in steenkoolcentrales (al dan niet met subsidies), zijn problematisch en krijgen de laagste score.

Kleine biomassacentrales (minder dan 20 MW) beoordelen we iets beter omdat deze meestal draaien op lokale biomassa (bv. plantenresten of afvalstromen van hout). De druk op bossen en landbouwgronden is hierdoor kleiner, hoewel de efficiëntie ook hier nog vrij laag is. Bij mestvergisters is het vanuit milieuoogpunt beter om de grote mestoverschotten te vermijden dan ze te moeten vergisten. Bovendien wordt hier vaak waardevolle biomassa bijgemengd, waarvoor een hoogwaardiger gebruik bestaat.

Grote biomassacentrales met warmtekrachtkoppeling (WKK) maken beter gebruik van de opgewekte energie waardoor de efficiëntie hoger ligt. Deze krijgen een iets betere score dan een gelijkaardige centrale zonder WKK.

Tot slot is er biogas afkomstig uit bv. rioolslib, waarvoor geen beter gebruik bestaat. Deze afvalstromen produceren bovendien methaangas dat een nog sterker broeikasgas is dan CO₂. Het is dus beter er energie mee te produceren dan het te laten ontsnappen in de atmosfeer. Deze stroom krijgt daarom de hoogste score.

Afvalverbranding

De CO₂-uitstoot is afhankelijk van de manier waarop afval wordt verwerkt tot energie, de impact op het milieu is neutraal. We moeten in de eerste plaats de afvalberg verkleinen door minder afval te produceren en meer te recycleren, maar afvalverbranding met stroomproductie en warmterecuperatie is een oplossing voor de restfractie waarvoor geen andere toepassing bestaat.

Waterkracht

Ook water kent een brede waaier aan toepassingen voor de productie van elektriciteit, de score verschilt dan ook naargelang de gebruikte technologie.

De meeste waterkracht wordt geproduceerd met een reservoir. We onderscheiden hierbij grote waterkrachtcentrales (>10 MW), die een enorme impact hebben op ecosystemen en vaak leiden tot gedwongen volksverhuizingen, van kleine waterkrachtcentrales (≤10 MW), die een beperkte impact hebben. Centrales waar overschotten uit bv. inflexibele nucleaire of steenkoolcentrales gebruikt worden om water naar een hoger gelegen reservoir te pompen om stroom te produceren op een later moment, worden niet als waterkracht gerekend.

Daarnaast kan ook waterkracht opgewekt worden op een rivier, waarbij de productie varieert met het debiet van de rivier. Deze installaties zijn meestal kleinschalig, waardoor de impact op het milieu en ecosystemen erg beperkt is.

Tot slot lenen ook golfslag en getijden zich tot de productie van waterkracht. Deze technologieën staan nog in hun kinderschoenen en verder onderzoek naar hun impact op het marine ecosysteem is nodig. Voorlopig krijgen deze vormen van waterkracht de hoogste score.

Zonne-energie

Zonne-energie uit fotovoltaïsche panelen (PV) is een klimaat- en milieuvriendelijke manier van energieopwekking. Ze kan al op kleine schaal toegepast worden en is daardoor uiterst geschikt voor de democratisering van onze stroomproductie. We beschouwen de externe milieueffecten als positief dankzij de vergevorderde recyclage van zonnepanelen en de steeds efficiënter wordende productieprocessen.

In gebieden met zeer veel zon kan geconcentreerd zonlicht een vloeistof verhitten waarmee elektriciteit (via stoomturbines) en warmte geproduceerd wordt. Sommige installaties kunnen deze vloeistof langere tijd op hoge temperatuur houden, waardoor ook ’s nachts elektriciteit kan worden geproduceerd. Het intensief gebruik van water in de stoomcyclus kan een probleem vormen in landen met waterschaarste, maar hiervoor bestaan oplossingen zoals de combinatie met ontzilting of alternatieve installaties die geen water gebruiken. Deze technologie krijgt dan ook een hoge score.

Wind

Windmolens op land (onshore) zijn een competitieve en duurzame energiebron. De inplanting ervan wordt bij voorkeur georganiseerd in overleg met de omwonenden en lokale besturen, zodat de impact op mens en milieu tot een minimum beperkt wordt. Via coöperatieve participatie kunnen burgers ook financieel profiteren van windenergie en zo bijdragen aan de democratisering van onze stroomproductie.

Wind op zee (offshore) levert meer stroom op door de betere windkwaliteit en het hoger aantal winduren. De impact op het ecosysteem is erg laag – sterker nog, rond de huidige windmolenparken vormen zich nieuwe ecosystemen doordat de natuur er opnieuw haar gang kan gaan, ongestoord door andere activiteiten zoals zandwinning.

6 Appendix : Toelichting energiebronnen en technologieën voor groene warmte

Stookolie

Stookolie krijgt de slechtste score gezien de grote uitstoot van CO₂ en andere schadelijke stoffen die vrijkomen bij verbranding. Het is de vuilste energiebron voor warmteproductie en heeft geen plaats in een duurzame toekomst. Stookolie moet dan ook zo snel mogelijk uitgefaseerd worden.

Fossiel gas

Fossiel gas (ook bekend als aardgas, LNG,…)  krijgt net als stookolie een erg lage score. Gas is een fossiele brandstof en onderzoek wijst uit dat de emissies over de volledige levensloop sterk zijn onderschat. Methaanlekken bij het ontginnen en transporteren van fossiel gas dragen sterk bij aan de opwarming van het klimaat. Methaan is over een periode van 20 jaar een tot wel 80 keer krachtiger broeikasgas dan CO2.

De voorbije energiecrisis toonde pijnlijk aan hoe onze afhankelijkheid van gas uit Rusland en de Verenigde Staten, Europa sterk in de problemen kan brengen en diep in de buidel doet tasten. Om zowel ecologische-, economische- als veiligheidsredenen moet fossiel gas zo snel mogelijk afgebouwd worden en moeten nieuwe investeringen ontmoedigd worden.

Greenpeace hecht veel belang aan de benaming ‘fossiel gas’ en vindt dit de enige correcte en toekomstgerichte benaming. Het benoemt gas zoals het is, een fossiele brandstof met een sterke klimaatimpact, en maakt duidelijk dat ook gas einde verhaal is.

Gecompenseerd gas, CO₂-neutraal gas, klimaatneutraal gas, … zijn allemaal benamingen voor hetzelfde product: fossiel gas waarvan de uitstoot gecompenseerd wordt. Vaak gebeurt dit door projecten in het Globale Zuiden. Greenpeace staat heel erg kritisch tegenover deze vormen van compensatie en beschouwt dit als greenwashing. Het leidt af van de essentie: isoleren en fossiele brandstoffen uitfaseren.

Biogas

Biogas wordt gemaakt door anaerobische vergisting van organisch afval (groenten, fruit en tuinafval, rioolslib,…). Biogas kan verbrand worden in een warmtekrachtkoppeling (WKK) die zowel elektriciteit als warmte produceert of kan opgeschoond worden tot biomethaan. Dit biomethaan heeft ongeveer dezelfde eigenschappen als fossiel gas en kan in het gasnetwerk geïnjecteerd worden.

Biogas is een hernieuwbare bron en verdient een goede score, op voorwaarde dat het enkel om afvalstromen gaat. Als de feedstock toch nog een beter doeleinde heeft, moet ze in eerste instantie daarvoor gebruikt worden (bijvoorbeeld veevoeder).

De opschaalbaarheid van biogas is helaas beperkt en het zal in de toekomst slechts een beperkte rol kunnen spelen. In 2020 was slechts 4% van alles gasverbruik afkomstig uit biogas. Injecteren in het bestaande gasnetwerk is technisch dan wel mogelijk, maar het gasnetwerk in stand houden voor enkel biogas is financieel niet haalbaar, noch wenselijk. Met biogas moet slim en zuinig omgesprongen worden.

Waterstof

Waterstof is een energiedrager die kan gemaakt worden op verschillende manieren en op basis van verschillende energiebronnen. Waterstof gemaakt door elektrolyse met hernieuwbare energie wordt groene waterstof genoemd. Gebeurt hetzelfde met kernenergie, dan noemt men dit paars of roze waterstof. Grijs en blauw waterstof wordt gemaakt met fossiel gas. Bijna alle waterstof dat momenteel beschikbaar is wordt gemaakt met fossiel gas en is grijs waterstof. Greenpeace ziet geen toekomst voor grijs, blauw of paars waterstof gezien de CO₂-uitstoot of de hoge milieu-impact.

Voor groene waterstof ziet Greenpeace geen enkele toepassing voor de verwarming van gebouwen. Het produceren en transporteren is erg inefficiënt, wat maakt dat groene waterstof erg schaars en duur zal blijven. Het wordt best voorbehouden voor sectoren die moeilijk kunnen elektrificeren zoals specifieke industrietakken.

Zogenaamde H2-ready gasketels houden een waanidee in stand en misleiden de consument. Waterstof kent geen toepassing voor verwarming. Door gasketels een vals toekomstperspectief te geven zorgt de gassector voor lock-in situaties.

Biomassa

Het verbranden van hout in een kachel of haard is geen duurzame warmtebron. Het stoot veel fijnstof uit en is erg inefficiënt. Er zijn voor hout bijna altijd betere toepassingen i.p.v. verbranding: gebruiken voor woningbouw, meubels, spaanplaten, isolatie of papier en karton. Pas helemaal onderaan de cascade kan hout ingezet worden voor het opwekken van warmte en energie.

Om het biodiversiteitsverlies tegen te gaan en om CO2 uit de atmosfeer te halen moeten we onze bossen zo goed mogelijk beschermen. We moeten dus uiterst verstandig en zuinig omspringen met het hout dat we gebruiken.

Het gebruik van hout voor verwarming van gebouwen wordt daarom niet aangeraden. Elektrificatie is vele malen efficiënter en zorgt niet voor luchtvervuiling. Slechts voor uitzonderlijke gevallen kan verwarmen met hout een goed alternatief zijn. Denk hierbij aan historische gebouwen waar verwarmen op lage temperatuur geen mogelijkheid is.

Zonnecollectoren

Zonnecollectoren gebruiken zonne-energie om sanitair warm water te maken. Het is een duurzame technologie, maar steeds minder relevant. Het is in de eerste plaats relatief complex om zonnecollectoren aan te sluiten in een reeds bestaande woning zonder grote werken uit te voeren. Ten tweede rekenen zonnecollectoren ook nog steeds op naverwarming in koude periodes en periodes met weinig zon. Tot slot is de combinatie van een warmtepompboiler met klassieke zonnepanelen een veelzijdigere toepassing die gemakkelijker te sturen is en ook toelaat een stukje energie op te slaan.

Warmtenetten

Warmtenetten zijn een buitenbeentje, want ze zijn geen energiebron en produceren ook geen energie. Warmtenetten zijn een middel om warm water te transporteren. Deze warmte wordt centraal opgewekt en dan verdeeld over verschillende gebouwen of zelfs een volledige buurt. Warmtenetten zijn in een stedelijke context heel erg interessant en o.a. in de Scandinavische landen erg populair. Warmtenetten vragen om een planmatige en collectieve aanpak. Het is een prima oplossing om op korte termijn een groot aantal gezinnen te voorzien van groene warmte.

Hoe klimaatvriendelijk warmtenetten zijn wordt bepaald door de energiebron die wordt gebruikt om het water op temperatuur te brengen. Restwarmte, industriële warmtepompen,… zijn goede toepassingen, een gasgestookte centrale of centrales die werken op biomassa scoren minder goed.

Elektriciteit

Elektrificatie is de toekomst. Er is geen directe uitstoot en elektrische toepassingen kennen een zeer hoge efficiëntie. Hoe hoger het aandeel hernieuwbare energie (zon en wind) in de elektriciteitsmix, hoe belangrijker elektrificatie voor verwarming en vervoer. Zo kunnen vraag en aanbod flexibeler op elkaar afgestemd worden en kunnen toepassingen voor warmte en transport ook dienen als opslag. Een overzicht van alle elektronische technologieën:

Klassieke elektrische verwarming

De efficiëntie bij elektrische verwarming ligt laag en het verbruik hoog, maar er is geen directe uitstoot. Elektrische verwarming kan eventueel gebruikt worden als extra aanvulling, denk aan een kamer die slechts sporadisch verwarmd wordt of een kleine boiler in de keuken.

Hybride warmtepompen

Deze combineren een warmtepomp met een gasketel en kunnen zo het verbruik van gas verminderen. Afhankelijk van de temperatuur en de daaraan gekoppelde efficiëntie van de warmtepomp wordt warmte geproduceerd met gas of elektriciteit. Toch vindt Greenpeace dit geen geschikte technologie. Het is maar een halve oplossing en faseert gas niet uit. Gezinnen die voor deze optie kiezen, vallen dubbel in de kosten en moeten later toch naar een gasvrije technologie overstappen. Voor Greenpeace is deze technologie een afleiding van echte oplossingen en een gevaar voor lock-in situaties.

Warmtepompen

Er zijn verschillende vormen van warmtepompen die op een andere manier werken, maar voor alle technologieën telt dat ze energie onttrekken aan de omgeving. Deze kan ontnomen worden uit de buitenlucht of gewonnen worden via geothermie. De efficiëntie ligt heel erg hoog. Zo wordt er gemiddeld 3 à 4 keer meer energie aan warmte gewonnen dan het systeem verbruikt in elektriciteit. Warmtepompen functioneren optimaal als ze lagere temperaturen moeten produceren. Hoe beter de isolatie van een gebouw of woning, hoe minder hard de warmtepomp zal moeten werken. Het is echter een fabel dat warmtepompen enkel haalbaar zijn in de best geïsoleerde woningen. Ook in matig geïsoleerde woningen presteren ze prima, maar een taxshift van elektriciteit naar gas is nodig zodat een warmtepomp ook voor deze woningen financieel interessant wordt.

Warmtepompboiler

Met een warmtepompboiler wordt sanitair warm water gemaakt. Warmtepompboilers zijn zeer zuinig in verbruik en presteren prima in combinatie met zonnepanelen. Door beide technologieën te combineren kan zonnestroom deels opgeslagen worden als warmte. Een warmtepompboiler kan niet gebruikt worden voor de verwarming van een woning, daar is nog altijd een volwaardige warmtepomp voor nodig.